|
Teksten Hier vindt u aanvullende teksten op de hoofdstukken van het boek.
4 Zwangerschap en geboorte Onder vroeggeborenen komt op latere leeftijd veel problematiek voor Sinds 1983 wordt in Nederland een groep van kinderen gevolgd, die in dat jaar te vroeg geboren werden. Dit project staat bekend onder de naam POPS (Project Onderzoek Prematuras en Small-for-gestational age). De gezondheid en ontwikkeling van de premature kinderen werd onderzocht op de leeftijd van 2, 5, 9, 10-11, en 14 jaar. Recent kwamen de gegevens vrij van het onderzoek dat op veertienjarige leeftijd werd uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat 10% van deze kinderen een ernstige handicap of beperking heeft op de schoolleeftijd. Lange tijd werd verondersteld dat de lichte problemen van de prematuren zouden afnemen als zij ouder werden (zie ook Ontwikkelingspsychopathologie p. 110). Dit blijkt juist niet het geval te zijn. Hoewel 90% van de prematuren uit 1983 geen ernstige beperkingen had op de schoolleeftijd, ondervond de helft van hen aanzienlijke problemen in het dagelijks leven. Lichte ontwikkelingsstoornissen en gedragsproblemen namen toe naarmate de kinderen ouder werden. De onderzoekers vermoeden dat deze stoornissen het zelfstandig functioneren op oudere leeftijd kunnen belemmeren; later onderzoek zal uitwijzen of dit ook zo is. Het belang van een vroege signalering van ontwikkelingsstoornissen bij premature kinderen is groot. Dan kan immers vroeg gestart worden met gerichte interventies om de latere gevolgen te beperken. Verloove-Vanhorick, S.P., E.T.M. Hille, F.J. Wather en A.L. den Ouden (2002), Vroeggeborenen van baby tot adolescent. De levensloop van de POPS-cohort geboren in 1983. In: JGZ (Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg) (nr. 6 ,2002).
9 Zindelijk worden en zindelijkheidsstoornissen Worden Nederlandse kinderen later zindelijk dan vroeger? Onlangs werd een onderzoek gepubliceerd waaruit bleek dat Nederlandse kinderen uit de omgeving van Eindhoven later voor urine zindelijk worden dan dertig jaar geleden. Resultaten van een onderzoek uit 1996 werden vergeleken met een onderzoek uit 1966, dertig jaar eerder. Vooral bij twee- en driejarige kinderen werden verschillen gevonden. Zo was in 1966 bij de tweejarigen 61,1% van de meisjes en 43,3% van de jongens overdag zindelijk voor urine. In 1996 was dit bij 18,55% van de meisjes en 16,7% van de jongens het geval. Bij de driejarigen was in 1966 91,6% van de meisjes en 86,6% van de jongens overdag zindelijk voor urine. In 1996 was dit bij 84,7% van de meisjes en 63,2% van de jongens het geval. Ook de zindelijkheid 's nachts bleken de kinderen uit 1996 later te verwerven. Op vierjarige leeftijd werd er nog maar een minimaal verschil gevonden. Zowel overdag als 's nachts waren vrijwel evenveel kinderen uit 1966 als uit 1996 zindelijk. Waarom worden kinderen later zindelijk dan vroeger? In het onderzoek werden een aantal factoren gevonden.
Horstmanshoff, B.E., G.J.K. Regterschot, E.E.S. Nieuwenhuis, M.A. Benninga, W. Verwijs en J.J.J. Waelkens (2003), Zindelijkheid voor urine bij 1-4-jarige kinderen in de regio Eindhoven en de Kempen, in 1996 en in 1966. In: Nederlands Tijdschrift Geneeskunde (jrg. 147, nr. 1).
11 Zelfbeheersing en de aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit Eind 2002 kwam in het nieuws dat een dieet een gunstig effect kan hebben op het gedrag van jonge kinderen met ADHD. Het idee is dat mensen (kinderen) allergisch kunnen zijn voor bepaalde voedingstoffen. Zo'n allergie is per kind verschillend, d.w.z. het gaat om verschillende stoffen. Het vermoeden bestaat dat deze allergieën ook een rol kunnen spelen bij het instandhouden van ADHD en andere gedragsproblemen. Onlangs rapporteerden Pelsser en Buitelaar over de resultaten van een Nederlands onderzoek. In dit onderzoek werden veertig kinderen met ADHD op een streng dieet gezet. Aangezien onbekend was waarvoor deze kinderen eventueel een allergie hadden, werd hun een dieet voorgezet zonder al die voedingsstoffen waarvan bekend is dat zij een allergie kunnen veroorzaken. Dit standaard eliminatiedieet bestaat uit rijst, kalkoen, peer, sla en water. Dit is zo streng dat in het onderzoek een aantal andere voedingsmiddelen beperkt werden toegestaan. De kinderen moesten het dieet twee weken volhouden. Het resultaat is interessant. Van de kinderen die volhielden verminderde bij 80% de ADHD-symptomen significant. Op alle veertig kinderen (incluis de kinderen die afvielen) was het succespercentage ruim 60%. Toch is hiermee nog lang niet bewezen dat een nieuwe 'therapie' bij ADHD mogelijk is. De volgende kanttekeningen zijn te plaatsen:
Pelsser, L.M.L en J.K. Buitelaar (2002), Gunstige invloed van een standaardeliminatiedieet op het gedrag van jonge kinderen met aandachtstekort-hyperactiviteitstoornis (ADHD), een verkennend onderzoek. In: Nederlands Tijdschrift Geneeskunde (jrg. 146, nr. 52). petrusdonders.gemert.kennisnet.nl/adhdenvoeding.htm
12 Gedragsstoornissen Invloed media groter dan gedacht In het overzicht van risicofactoren bij gedragsstoornissen dat in hoofdstuk 12 gepresenteerd wordt, staat 'Geweld op de TV' genoemd (tabel 12.5, p. 341). In de daarbij horende tekst (p. 340) staat: 'Geweld op televisie en in computerspelletjes op zich blijken volgens later Engels onderzoek geen risicofactor te vormen voor gedragsproblemen. Maar de combinatie met andere risicofactoren, zoals delinquentie of agressief gedrag door andere gezinsleden, en afkomstig zijn uit een achtergesteld sociaal milieu blijken wel de kans op gedragsproblemen te vergroten.' Onlangs verscheen een artikel (Villani, 2002) waarin verslag wordt gedaan van de onderzoeksliteratuur die de afgelopen tien jaar is gepubliceerd over de invloed van de media op kinderen en adolescenten. Alhoewel er in dit artikel op wordt gewezen dat agressie of delinquent gedrag door meerdere factoren beïnvloed wordt, is de toon aanzienlijk negatiever. Geconcludeerd wordt dat de belangrijkste effecten van blootstelling aan de media een toename van gewelddadig en agressief gedrag, een toename van risicovol gedrag waaronder alcoholgebruik en roken, en een vervroegd begin van seksuele activiteiten zijn. De nieuwere media zijn nog niet op afdoende wijze bestudeerd, maar omdat eerder onderzoek logischerwijze kan worden uitgebreid naar andere mediavormen, en gezien de hoeveelheid tijd die het gemiddelde kind besteedt aan steeds verder ontwikkelde media, is zorg op zijn plaats. Geadviseerd wordt dat werkers in de gezondheidszorg een mediageschiedenis op moeten nemen in de standaarddiagnose van kinderen en adolescenten. Voor adolescenten moet dat het zorgvuldig doorvragen inhouden over muziekvoorkeur en de betekenis die muziek voor hen heeft. Ook moeten ouders actief worden voorgelicht over de potentiële gevaren van de televisie als 'elektronische oppas' voor jonge kinderen, het langdurig spelen van gewelddadige videospelletjes en de risico's van internetgebruik zonder toezicht. Villani, S. (2002), 'De invloed van media op kinderen en adolescenten'. In: Literatuurselectie Kinderen en adolescenten (jrg. 9, nr. 1) Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
Preventie en behandeling van jeugdcriminaliteit: gegevens van buiten Nederland Alhoewel jeugdcriminaliteit niet hetzelfde is als gedragsstoornissen, kennen beide zowel qua verschijningsvorm als qua preventie en behandeling overlap. In het boek Ontwikkelingspsychopathologie bij kinderen en jeugdigen worden in de diverse paragrafen over preventie en behandeling die methoden besproken waarvan verondersteld mag worden dat ze effectief zijn. Zo ook de methodieken en werkwijzen die in hoofdstuk 12 zijn besproken. De schrijfster van het rapport geeft aan dat goed wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van preventie- en behandelingsprogramma's van jeugdcriminaliteit in Nederland zelden wordt verricht, maar dat er in het buitenland (vooral in de Verenigde Staten) wel betrouwbaar materiaal te vinden is. Bij goed wetenschappelijk onderzoek worden groepen jongeren die meedoen aan een programma vergeleken met groepen jongeren die daar niet aan mee doen en/of groepen jongeren die aan een andere programma meedoen. Zo kan het echte effect volgens de schrijfster vastgesteld worden. Daarnaast is het belangrijk dat de effecten ook jaren na de beëindiging van het programma worden vastgesteld. Onderzoek dat aan dergelijke eisen voldoet is er in Nederland niet. Op grond van de resultaten van buitenlands onderzoek stelt de schrijfster vast welke preventie en aanpak wel werkt of veelbelovend is. Zij komt tot ongeveer gelijkluidende conclusies als die welke in het boek Ontwikkelingspsychopathologie bij kinderen en jeugdigen worden gegeven. Preventie moet zo vroeg mogelijk starten en zich richten op meerdere risicofactoren. De aanpak van 'Communities that Care' wordt als veelbelovend gezien. Net als in Ontwikkelingspsychopathologie worden cognitieve vaardigheidstrainingen, gedragstherapeutische oudertraining en de multisysteemtherapie genoemd als aanpakken die effectief of veelbelovend zijn. Wel stelt de schrijfster dat voor deze methodieken geldt dat nog beter onderzocht moet worden welk programma voor wie geschikt is. De schrijfster geeft op grond van onderzoek uit de Verenigde Staten ook aan welke benaderingen of programma's bewezen ineffectief zijn. D.w.z. behandelingen die niets bijdragen of de problematiek zelfs verergeren. Hoewel de conclusies van onderzoek uit de Verenigde Staten niet vanzelfsprekend voor de Nederlandse situatie geldig hoeven te zijn, onderstreept het in ieder geval de noodzaak van gedegen onderzoek in Nederland. Volgens dit onderzoek zijn de interventies in psychiatrische inrichtingen of justitiële behandelinrichtingen ineffectief. Deze interventies, vaak milieutherapie of gedragstherapeutische programma's waar gewerkt wordt met zogenaamde tokens (beloningen, JR) blijken wel binnen de instelling effectiviteit te sorteren, maar de effecten verdwijnen na het verlaten van de instelling. De schrijfster is op dit punt pessimistischer dan het boek Ontwikkelingspsychopathologie (zie paragraaf 12.6.3). Enkele andere bewezen ineffectieve benaderingen zijn de zogenaamde kampementen die gebaseerd zijn op een streng (militair) regime; de zogenaamde afschrikwekkende vormen van gevangenisstraffen; de overlevingstochten en het toepassen van strafrecht voor volwassenen bij jongeren.
16 Middelengebruik en middelenmisbruik Marokkaanse scholieren roken, drinken en blowen minder Het Trimbos-instituut maakte in juni 2002 onderzoeksresultaten bekend over het middelengebruik bij allochtone en autochtone jongeren. Hieruit bleek dat Marokkaanse scholieren in het voortgezet onderwijs minder roken, drinken en blowen dan autochtone scholieren. Turkse en Surinaamse scholieren blowen net zoveel als Nederlandse scholieren, maar ze drinken wel minder alcohol. Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van cijfers van het in 1999 gehouden Peilstationsonderzoek naar roken, drinken en drugsgebruik onder jongeren. Dit is een landelijk onderzoek onder bijna tienduizend scholieren van het voortgezet onderwijs en groep 7 en 8 van het basisonderwijs, met een respons van meer dan 95 procent. De onderzoekers van het Trimbos-instituut vinden dat uit hun studie blijkt dat Marokkaanse jongeren geen risicogroep vormen als het gaat om problematisch gebruik van alcohol en cannabis. Met name het islamitische geloof, dat het gebruik van alcohol verbiedt, zou volgens de onderzoekers zorgen voor een gezondere manier van leven. De overheid zou hier in voorlichting dan ook meer rekening mee moeten houden, aldus de onderzoekers.
Middelengebruik onder Nederlandse jongeren lijkt te stabiliseren Uit cijfers van een recent gepubliceerd rapport (Kerngegevens middelengebruik uit het Nederlandse HBSC-onderzoek 2001) van het Trimbos-instituut kan de voorzichtige conclusie getrokken worden dat de percentages (uit 2001) van jonge mensen die ooit gedronken hebben, die regelmatig drinken en die ooit dronken zijn geweest, niet verschillen met die van het begin van de jaren negentig. De tendens naar veralgemenisering van (regelmatig) alcoholgebruik en dronkenschap, die vooral tussen 1992 en 1996 zichtbaar was, lijkt daarmee omgebogen. Alcoholgebruik lijkt (sinds de jaren negentig) een 'normaal' verschijnsel geworden gedurende de adolescentie. Uit deze cijfers uit 2001 blijkt dat van de 14-15 jarigen 78,4% van de jongens en 73,6% van de meisjes ooit gedronken heeft. Deze percentages zijn iets lager (maar niet significant) dan de percentages uit 1996 die in het boek Ontwikkelingspsychopathologie genoemd worden (zie tabel 16.2, p. 443). Ook roken is een veelvuldig voorkomend verschijnsel. Van de 14-15 jarigen (uit 2001) heeft 54,3% van de jongens en 56,0% van de meisjes ooit gerookt. Dit is iets lager (maar niet significant) dan de percentages uit 1996 die in het boek Ontwikkelingspsychopathologie genoemd worden. Ten slotte blijkt ook dat het gebruik van cannabis onder de Nederlandse jongeren gestabiliseerd is. Het gehele rapport is hier te downloaden Slechts een minderheid van cannabisgebruikers vertoont afhankelijkheidsverschijnselen. In februari 2002 werd er in Brussel een internationaal wetenschappelijke conferentie over cannabisgebruik gehouden. De conferentie werd georganiseerd op initiatief van de ministeries van volksgezondheid uit België, Duitsland, Nederland en Zwitserland. Wetenschappers stelden punten vast waarover zij het in het algemeen eens waren. Er was ook een lijst met nog openstaande vragen waarover nader onderzoek nodig is. Uit onderzoek blijkt dat zo'n tien procent van de cannabisgebruikers uit westerse landen (in Australië zelfs oplopend tot twintig tot dertig procent) het lastig vindt om met het gebruik te stoppen of het te minderen, of onthoudingsverschijnselen of andere problemen heeft. Zie deze pagina voor een samenvatting van de verschillende conclusies. Het gehele (Engelstalige) rapport is hier te downloaden. |